Laden Evenementen
Event | woensdag 23 sep 20:00 - 22:00

Letterij 2009

Tickets

Onderstaand nummer bevat de tickets voor dit evenement in je winkelwagen. Klik op "Koop Tickets" om bestaande deelnemersinformatie aan te passen en de hoeveelheid tickets aan te passen.
Letterij 2009
0,00
Onbeperkt

Mondiaal Literair is een samenwerking tussen MCH en Uitgeverij In de Knipscheer en komt dankzij vrijwilligers zonder subsidie tot stand. De maandelijkse schrijversavonden van Mondiaal Literair worden thematisch samengesteld, zoveel mogelijk naar aanleiding van recent bij Nederlandse uitgeverijen verschenen of te verschijnen boeken, die inhoudelijk de vaderlandse grens overschrijden. Centraal staat het interview met de auteurs, soms in een gezamenlijk gesprek, soms na elkaar. Uiteraard lezen een of meer schrijvers kort uit eigen werk. Uitgever Franc Knipscheer is de host van de avond. De interviews worden gehouden door Peter de Rijk.

De naam Mondiaal Literair is in 2012 veranderd in Letterij. In 2009 zijn we gestart op 23 september met Indische Letteren na Oeroeg. Nieuwe Antilliaanse Literatuur op 28 oktober en Marokko op 25 november. Op 17 juni 2009 een boekpresentatie van Theo Ruyter – De koe lacht niet meer.

17 juni 2009: Boekpresentatie – Theo Ruyter – De koe lacht niet meer

Korte verhalen en essays over ontwikkingshulp in Afrika.

Meer informatie>>>

23 september 2009: Indische letteren na Oeroeg

Vertoning van een gefilmde ontmoeting  tussen Frans Lopulalan en Ernst Jansz uit 1986 over de rol van hun vaders in het Indische gezin, naar aanleiding van hun boeken Onder de sneeuw een Indisch graf en De Overkant.
Peter de Rijk interviewt Alfred Birney naar aanleiding van zijn in juni verschenen novelle Rivier de Lossie, waarin de onbekende ballade The Ferryman’s Daughter van Donovan leidmotief blijkt.
Alfred Birney (Den Haag, 1951) is een van de belangrijkste representanten van de zogenaamde tweede generatie Indo-schrijvers.
In 1998 stelde hij de gezaghebbende bloemlezing Oost-Indische inkt samen over 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, waarin o.a. ook werk is opgenomen van Ernst Jansz en Glenn Pennock. Hij heeft verder zes romans op zijn naam staan, een verhalenbundel en een essaybundel.

Tijdens de avond las Alfred zijn column Nederland leest (niet), een reactie op de actie Nederland Leest 2009 van het CPNB die het boek Oeroeg centraal stelt. Klik hier voor de column. Op de website van Alfred Birney staat zijn verslag van de avond. Klik voor het verslag hier.

Aan de interviewtafel schuiven verder aan Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz.

Peter van Dongen is schrijver en tekenaar van de stripboeken Rampokan Java en Rampokan Celebes en verzorger van het artwork voor de roman en cd Molenbeekstraat van Ernst Jansz en de heruitgave van De Overkant. Het werk van Van Dongen wordt digitaal getoond.

Glenn Pennock is de schrijver van De weg van de kat en Het vuur van de draak waarin de filosofie van de pencak silat een belangrijke rol speelt. Eind jaren tachtig  had hij in Heemstede een sportschool waarin hij lesgaf in deze Indonesische vechtsport. Na omzwervingen in Amerika is hij sinds een paar jaar terug in het Haarlemse en werkt hij aan een nieuwe roman.

Evenals Alfred Birney en Ernst Jansz is Glenn Pennock van huis uit professioneel muzikant. Hij neemt zijn gitaar mee en verzorgt een muzikaal intermezzo.

Van Ernst Jansz wordt de kersverse uitgave van ’de complete’ De Overkant gepresenteerd. Het oorspronkelijke verhaal is uitgebreid; inclusief twee nieuwe fotokaternen telt het boek nu 384 bladzijden. Aan het boek zijn verder toegevoegd de officiële cd De Overkant uit 2000 en extra een niet eerder uitgebrachte dvd De Overkant.   [De komst van Ernst Jansz is bij het ter perse gaan van dit programma nog niet helemaal zeker in verband met de start van de nieuwe Boudewijn de Groot-tour , waarin hij vaste toetsenman is, twee dagen later.]

Ernst Jansz heeft zich tot zijn spijt moeten afmelden voor de schrijversavond op 23 september vanwege een techniekrepetitie elders in het land. (18 september 2009)

VERSLAG VAN DE AVOND DOOR ALFRED BIRNEY

Oude kameraden

De Indische schrijversavond van afgelopen woensdagavond (23 september 2009) in het Mondiaal Centrum Haarlem was goed, gevarieerd en onderhoudend. Mijn chaperonne, een van een beroemde Franse regisseur geleende kosmopoliet die al overal op de wereld heeft gewoond, was prettig gezelschap: ze was er wel en ze was er niet. Mijn leesbril, visitekaartje, tekstrol en meer van dat spul dat je als schrijver mee moet nemen als het podium wacht, konden gemakkelijk in haar tas, zodat ik niet met van die uitpuilende zakken hoefde te lopen.

Ik had Frans Lopulalan gevraagd om ook te komen. Zijn uiterlijk verbaasde me toen we hem op het station van Haarlem troffen. Die hoed droeg hij jaren terug al, maar ditmaal zat er haar onder. Echt haar! Dus niet meer die geschoren kop a la James Moody maar nu reversed. Als je de koppen van Frans Lopulalan en James Moody niet kent, laat dan maar zitten, zo belangrijk is dit nou ook weer niet.

Ik had de uitgever al ge-sms’t (wat een spelling hè tegenwoordig, het is werkelijk niet te geloven – welke idioot in, zeg, China, zou het nog in zijn hoofd halen om zoiets als Nederlands te gaan studeren?) dat we er aankwamen (dus niet eraan kwamen), maar de man nam niet op en de telefoon op de uitgeverij bleek later onder een paar omgevallen dozen met boeken terecht te zijn gekomen, zodat Frans, mijn chaperonne en ik maar besloten te gaan lopen. Hierop waren wij voorbereid. Ik had een routekaart van Google Maps met uitgebreide routebeschrijving uitgeprint, terwijl Frans dezelfde beschrijving met ganzenveer had overgepend op een stuk perkament, dat een verre voorouder ten tijde van de VOC nog van een Belanda had gesnaaid voor hij die de kop afhakte om er soep van te trekken.

Zoals ik al zei heeft mijn chaperonne al overal op de wereld gewoond. Soms is dat lastig wanneer je naast haar over straat loopt. Want ze kijkt links en rechts naar allerlei mooie grachtenhuisjes waar ze eventueel wel een week of vijf zou willen vertoeven. Dus Frans en ik begonnen ook om ons heen kijken in dat Haarlemse gat van bijkans niks en niemendal. En zo misten we de afslag naar een steeg; mijn chaperonne wenst namelijk niet in een steeg te wonen. Om een lang verhaal kort te maken: na een dwaaltocht van een half uur wierpen we onze A4-tjes en perkamentrollen maar in een gracht en vroegen aan een paar autochtonen (Batavieren in H&M-kleding) de weg naar de Lange Herenvest. Daar aangekomen bleek onze uitgever net de auto te hebben gepakt om Peter van Dongen, die overigens heel mooi auto’s kan tekenen, van het station Haarlem af te halen. Lucky Peter van Dongen.

In het Mondiaal Centrum troffen we verder Glenn Pennock. Die waren we al zo’n jaar of twintig kwijt, dus dat werd elkaar omhelzen. Niet huilen, want wij zijn Indo’s en huilen doe je alleen bij een repatriëring. Glenn bleek tien jaar in Amerika te hebben gezeten, in Los Angeles natuurlijk, maar als gitarist… Nou dacht ik dat hij een pencak silat meester was die elk jaar op Madura in een kuil met giftige schorpioenen ging zitten mediteren, maar dat was in een vorig leven. In een leven dáár weer voor had hij het conservatorium doorlopen, dus hij was geen jochie die op zijn veertigste dacht: kom, ik ga nog maar eens wat gitaar proberen te spelen. En dat hebben we geweten. Hij speelde prachtig, helaas op een Taylor, met te veel gerinkel, hoogstwaarschijnlijk op Elixir snaren, maar een kniesoor die daar nog op let zodra Pennock zijn kunsten, en performance, vertoont.

Ik moest de avond openen met een kort interview over mijn jongste boek Rivier de Lossie. Het babbelen ging nog wel, maar toen ik een stuk moest voorlezen werd het toch hannesen met mijn leesbril en een microfoon zonder standaard. Ik had me ook helemaal niet voorbereid op voorlezen en bovendien heb ik er een bloedhekel aan. Ik lees mijn teksten alleen hardop tijdens het schrijfproces, om te horen of de muziek door de zinnen klinkt, maar ik vind dat het daar dan ook bij moet blijven.

Toen ik van het podium af was, werd nog een stukje film vertoond van Ernst Jansz, die op mijn boekpresentatie in Den Haag de runnin’ gag The Ferryman’s Daughter van Donovan zong, terwijl hij zichzelf begeleidde op de gitaar. De song haalde het einde niet, want de batterijen van de camera hadden het begeven. Er moet namelijk altijd wel iets misgaan. Maar goed, het was een leuke impressie en het was leuk om Ernst Jansz even te zien zingen, aangezien hij nu, als bandleider, was verhinderd in verband met de voorbereidingen van een tournee van Boudewijn de Groot.

Nu weet ik niet meer wie er na mij kwam: Glenn Pennock of Peter van Dongen, wiens strips allengs de wereld overgaan (het volgende land is Spanje, Indonesië is al geweest om maar wat te noemen). Van Dongen werkt gemiddeld zes jaar aan een stripverhaal en omdat mijn boeken vele versies kennen, zou de interviewer zich later afvragen of dat nou “typisch Indisch” is. Het antwoord luidt uiteraard nee, want er zijn ook Indo’s die hun boeken afraffelen tijdens tournees en snoepreisjes naar congressen, conferenties en dergelijke.

Ik sloot het eerste deel van de avond af met het voorlezen van een polemisch stuk over het naderende CPNB-feestje “Nederland Leest”. Maar ik was niet in vorm en hakkelde te veel naar mijn smaak. Ik had nota bene als voorbereiding het stuk de avond ervoor door mijn zoon aan mij laten voorlezen, zodat ik het terug kon horen. De manier van de muzikant, ja. Mijn zoon las het een stuk beter voor dan ik. Gelukkig staat het binnenkort afgedrukt in Archipel Magazine, compleet met enkele taalslordigheden, die Frans er voor het optreden had uitgehaald, terwijl hij een sjekkie rookte buiten, op een steenworp van het Spaarne.

Het Spaarne stroomt, het Spaarne stroomt voorbij… (mooi lied van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh):

Na een indrukwekkend muzikaal intermezzo van Glenn Pennock – hij speelde vrolijk door in de pauze – werd een oude film (1988) vertoond van twee schrijvers met elkaar in gesprek: Frans Lopulalan en Ernst Jansz. Die film vormde de aanzet van een afsluitend podiumgesprek, waarvoor ook Frans Lopulalan het podium beklom. Yvon Muskita zat ook in de zaal, maar die wilde zich niet laten verleiden de troep te komen vergezellen.

Na afloop heb ik nog wat boeken gesigneerd. Het mooist was dat een Hollandse man aan kwam zetten met Lalu Ada Burung (2002), de Indonesische vertaling van Vogels rond een vrouw (1991). Hij had het boek in Solo op Java gekocht en zag zijn kans nu schoon er een krabbel in te krijgen.

Voordat we elk ons weegs gingen, vertelde Glenn me nog dat hij me destijds vanuit Amerika een zelfgemaakte kaart had gestuurd, compleet met een routebeschrijving naar waar hij zich bevond, voor mocht ik eens in de buurt zijn. Een kennis van hem had namelijk de aankondiging van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) op het NOS Journaal gezien. De nieuwslezer had gesproken van “teksten vanaf Jan Huygen van Linschoten tot aan Glenn Pennock”.

Ja, ik vond het leuk om het boek te laten beginnen met een vis die in zijn eentje een VOC-schip tegenhoudt en het te laten eindigen met een stuk proza in een soort vissentaal met een eigen idioom. Geen hond die het ziet natuurlijk, maar dat is de lol van mijn schrijven: geheimpjes verstoppen.

Nooit geweten dat dat boek in het NOS Journaal aangekondigd is geweest. Zoiets gebeurt niet vaak. Mijn chaperonne herinnerde zich de uitzending ook nog. En vast die anderen ook, die me nog jarenlang hebben achtervolgd met het verwijt dat ik geen teksten van hun in het boek had opgenomen. Nu begrijp ik de frustratie van die schrijvers eindelijk. Ze hebben het NOS Journaal gemist!

Gut.

Wat erger is… Uitgeverij Contact heeft nooit die mooie kaart en uitnodiging van Glenn Pennock aan mij doorgestuurd…

Enfin, aan het werk nu. De deadline voor mijn volgende novelle ligt op 1 november.

Bron: website Alfred Birney: http://www.alfredbirney.com/oude-kameraden/

COLUMN VAN ALFRED BIRNEY

OEROEG, HET ROMAN-DEBUUT VAN HELLA S. HAASSE UIT 1948, VORMT HET MIDDELPUNT VAN NEDERLAND LEEST 2009 (VAN 23 OKTOBER T/M 20 NOVEMBER)

Oeroeg is de eerste Indische roman van de grande dame van de Nederlandse literatuur en het begin van een omvangrijk oeuvre. De vierde editie van deze grootste nationale leescampagne vindt plaats van 23 oktober t/m 20 november 2009. De Stichting CPNB, organisator van de campagne, maakte dit bekend. Leden van de openbare bibliotheken krijgen het boek gratis met de aanmoediging het te lezen en er tijdens de campagne met elkaar over in discussie te gaan. Vorig jaar stond Twee vrouwen van Harry Mulisch centraal.

Oeroeg (Uitgeverij Querido) is het verhaal van de vriendschap tussen een Indonesische jongen en de zoon van een Nederlandse administrateur op een theeonderneming in het Nederlands-Indië van voor de Tweede Wereldoorlog. Geleidelijk groeien de jongens uit elkaar. Wanneer de ik-figuur, de Nederlandse jongen, na een studie in Delft terugkeert in het Indië dat nog net geen Indonesië is geworden, blijkt hun verwijdering uitgegroeid tot een kloof. Oeroeg is een boek over vriendschap, gesitueerd ten tijde van het complexe proces van dekolonisatie.

Haasse_380_liggend 300x145.jpg

Hélène Serafia (Hella S.) Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië, als dochter van de pianiste Katherina Diehm-Winzenhöhler en Willem Hendrik Haasse, inspecteur van financiën bij het Gouvernement. Zij bracht haar hele jeugd door in Nederlands-Indië, op een enkele onderbreking na. In 1938 vertrok zij in haar eentje naar Nederland om te studeren. Vanwege de Duitse bezetting staakte zij na een jaar de studie Scandinavische taal- en letterkunde, onderdeel van de richting Germanistiek, en stapte zij over naar de Toneelschool. In 1948 verscheen Oeroeg als Boekenweekgeschenk en het werd in de loop der jaren in tien talen vertaald. Tijdens Nederland Leest beleeft het de 47e druk. Het oeuvre van Hella S. Haasse omvat tientallen uitgaven. Haar werden alle grote literaire prijzen in het Nederlands taalgebied toegekend en ook internationaal oogstte zij veel lof.

NEDERLAND LEEST NIET, COLUMN VAN ALFRED BIRNEY

Tijdens Mondiaal Literair van 23 september 2009 heeft Alfred deze column voorgelezen.

Afgelopen zomer verscheen volkomen onverwacht een goedkope herdruk van mijn beruchte bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998). Het kostte me enig gepieker over de beweegredenen van de uitgever. Ik bedacht dat de heruitgave wel te maken zou hebben met de komende gratis verspreiding van de novelle Oeroeg (1948) van Hella S. Haasse. Indië zal dan immers weer even en vogue zijn en elke moderne uitgever speelt daar natuurlijk alvast op in.
Ik had Oeroeg aanvankelijk buiten de opzet van mijn bloemlezing gehouden. Dat het er tóch in kwam, gebeurde op hevig aandringen van een redacteur wiens referentiekader weinig breder was dan de leeslijst die hem op de middelbare school onder de neus was geschoven. De bloemlezing wierp zoveel stof op dat ik me genoodzaakt zag een verweerschrift op te stellen in mijn postmodern Indisch jaarboek Yournael van Cyberney (2001). Naar aanleiding van een minder vleiende terzijde van me over Oeroeg werd ik door Hella Haasse en haar paladijn Rudy Kousbroek ter verantwoording geroepen op een podium in het toenmalig Indisch Huis aan de Javastraat te Den Haag. Dat was in 2002, ruim een halve eeuw na de verschijning van Oeroeg.
Tijdens dat debat, of kruisverhoor, wierp de schrijfster mij voor de voeten dat ik haar een “trut” had genoemd in Yournael van Cyberney. Onzin, hoe treiterig ook Kousbroek, altijd in voor een rel, met zijn vinger op de gewraakte passage (p. 10) wees. Ik had gesproken over “dat tuttig Eurocentrisch romannetje Oeroeg”. Maar, zo redeneerde Haasse, als ik haar boek zo noemde, dan noemde ik haar óók zo: een trut, wat volgens haar hetzelfde was als een tut. Dat de schrijfster, overigens dol op dictees, weinig gevoel voor nuances had, dat was Tjalie Robinson ooit al opgevallen in zijn stuk Nogmaals Oeroeg, gepubliceerd in Oriëntatie, Jakarta, juni 1948.

Nog even en Nederland Leest editie numero 4 gaat van start. De Stichting CPNB, flink onder de loep genomen in Yournael van Cyberney, heeft voor de gelegenheid dus maar weer eens Oeroeg uit de kast gehaald. Deze koloniale troonopvolger van Orpheus in de Desa (1900) van Augusta de Wit is werkelijk niet van de Hollandse dijken af te meppen. Het boek, dat aan zijn 47e druk toe is en allang op elke Hollandse zolder ligt te verstoffen, vormt waarlijk het onomstotelijke bewijs dat de CPNB tot de minst fijnzinnigste leesclub ter wereld kan worden gerekend. Toch vrees ik dat aanstonds gans het Bataafse Koninkrijk de gratis distributie van Haasses beroerde klassieker even hard zal toejuichen als een doelpunt van Oranje tijdens een WK of EK, al is het vanuit buitenspelpositie gescoord.
Oeroeg verhaalt over de vriendschap tussen de ik-figuur, een Hollandse zoon van een administrateur op een theeonderneming in het Nederlands-Indië van voor de Tweede Wereldoorlog, en een Indonesische jongen. De Hollandse zoon gaat in Delft studeren en het tweetal groeit uit elkaar. Eenmaal terug in Nederlands-Indië, waar het koloniale tijdperk ten einde loopt, blijkt hun verwijdering een onoverbrugbare  kloof geworden. Indo’s spelen een bijrol, zoals in de meeste boeken van blanke auteurs.
Belangrijk om te weten is dat het manuscript van Oeroeg onder motto was ingestuurd voor het Boekenweekgeschenk. Nederland, amper bekomen van de Duitse bezetting, vocht als een idioot overzee voor behoud van de kolonie. Indië was hot, het verhaal kwam als een geschenk uit de hemel vallen. Hella Haasse heeft haar eersteling tot op hoge leeftijd verdedigd tegen aanvallen van vooral Indo’s die het maar een boek van niks vonden. De bekendste was Tjalie Robinson, volgens Wim Willems in de vooraankondiging van zijn biografie “de enige echte Indo-schrijver van Nederland”, een stempel dat je nooit meer van het internet af krijgt en impliciet voor de niet-kenner uiteraard een diskwalificatie vormt voor de talloze overige zogenoemde echte Indo-schrijvers.
Het boek heet intussen Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008). Een interessante vraag bij de biografie van een schrijver is altijd in hoeverre deze werkelijk invloed heeft gehad op de Nederlandse literatuur. Biograaf Wim Willems wijdt één bladzijde aan Tjalie Robinsons aanval op Hella Haasses Oeroeg en schrijft onder meer:

Het kwam erop neer dat de criticus (=Tjalie Robinson – AB) alles wat hij las door en door vals vond. Dat ging ook op voor het karakter van de jeugdvriendschap tussen Oeroeg en de Hollandse ikfiguur, met zijn kleinerende opmerkingen over inlanders, die Tjalie als pure laster ervoer. Hij had genoeg Indonesische kameraden gehad, schreef hij, en hoewel er in de vooroorlogse koloniale wereld nooit echte broederschappen ontstonden, ook niet met Indische jongens, zou er pertinent geen scheidsmuur hebben bestaan, zoals Haasse suggereerde. Dat een vroegere schoolkameraad zich in die tijd van de politionele acties ineens ontpopte als een gezworen vijand, vond hij al even ondenkbaar. (p. 222,223)

Deze tamelijk afstandelijke samenvatting van de literaire perkara tussen Tjalie Robinson en Hella Haasse is wat kort door de bocht. Je zou bijna denken dat Willems in dezelfde valkuilen trapt als Haasse en dat hij beter een biografie aan háár had kunnen wijden.
In Nogmaals Oeroeg (herdrukt in de Pasarkrant, november 1993) komt Tjalie met een genuanceerde opsomming van onjuistheden, onwaarachtigheden en onnozelheden uit het proza van Haasse. Tjalie stelt dat het onderwerp in Oeroeg door zijn (politieke) actualiteit alle interesse van de pers heeft en dat daardoor de kritiek vrij gunstig is geweest. Hetzelfde zie je overigens een halve eeuw later terug met de overdreven positieve waardering van de pers voor soms zeer middelmatige boeken van zogeheten “allochtone” auteurs. Je zou kunnen zeggen dat de pers “goed fout” is door op die manier iets te willen bedekken dat zó diep geworteld in de samenleving is dat het lijkt alsof Nederland nooit racistisch was. Maar Tjalie dook diep in Oeroeg en wees op de talloze psychologische fouten en tekortkomingen  in vooral het latere leven van Oeroeg en zijn vriend:

‘We hebben je op Pasar Baroe gezien met je djongos’ en ‘Ben je weer met je Inlander uit geweest’. Zulke dingen wèrden niet gedacht en wèrden niet gezegd. Dit is ergerlijke, hatelijke en onverdiende laster. Wij hadden allemaal onze Indonesische vriendjes, ook in soortgelijke dienstverhoudingen. Maar als kameraad waren ze kameraad, afgelopen. De smeerlap, die zoiets gezegd zou hebben, zelfs voor de grap, zou of van de aangesprokene, of van diens Indonesische vriend een pak ransel hebben opgelopen. Ja, we vochten gemakkelijk en veel in die tijd. Zeer zeker was er geen sprake van broederschap, daar waren we (aan beide zijden) te nuchter en te eerlijk voor. Maar er was pertinent ook geen scheidsmuur, waar Hella ons aan wil doen geloven.’

Misschien zou Tjalie beter zijn begrepen als hij had geschreven dat de schrijfster een politieke scheidsmuur verwarde met een koloniale, die veel ingewikkelder lag. En die een veel grotere tragiek kende. Díe tragiek kende Tjalie Robinson als geen ander en Hella Haasse kende die domweg niet. Dat proef je uit de verdere woorden van Tjalies polemische stuk Nogmaals Oeroeg:

Ik ben in de bersiaptijd ook vrienden van vroeger tegen het lijf gelopen […]. En op het moment dat je mekaar herkent, dan heb je spijt van je ‘vijands-uniform’ en hij van z’n rood-witte badge. Je zegt ‘Hallo John!’ en ‘Hallo Tjalie!’ en je geeft mekaar verlegen een hand. Dat is duizendmaal gebeurd hier. Zij in hun groep en ik in mijn groep zouden elkaar niet herkend hebben en verbitterd met elkaar zijn slaags geraakt, ja. Maar in de besloten confrontatie is dat pertinent niet mogelijk. Als er ooit vriendschap geweest is, verstaan? Zelfs toen ik mijn oog minachtend monsterend liet gaan over de neergehurkte krijgsgevangenen en alleen snipers zag, toen nog ontdekte mijn oude oog in een halfnaakte met gebogen hoofd zittende peloppor de schoolkameraad van mijn broertje, Wadjah. We hebben elkaar gesproken ‘net als toen’ en dat was ‘rot, rot en nog eens rot’.

Tjalie maakte dus onderscheid tussen kameraadschap en broederschap en tussen soorten van scheidsmuren. Dat onderscheid vond hij niet terug in Oeroeg. En ik ook niet. In Oeroeg hangt vriendschap kortom af van politieke omstandigheden zoals men die in het Westen kent. Tjalie schrijft:

Als je dan aan het slot van deze levensbeschrijving van twee jeugdvrienden leest: ‘(Zijn) diepte peilde ik nooit. Is het te laat?’, dan pas realiseer je je het gevaar van dit boek: als zelfs een Hollandse jongen, zo innig samen opgegroeid met een Indonesische jongen, niets dan onpeilbare diepte peilt en wanhopig uitroept: ‘Is het te laat?’, hoe dan alle andere Hollanders en Indonesiërs? Ja, als het werkelijk zo is, schei dan maar uit met peilen.

Nou Tjalie, ze zijn nog altijd bezig met peilen. En zij die uitgepeild zijn, hebben dat niet gedaan omdat ze het hebben begrepen, maar omdat er inmiddels andere “doelgroepen” rondlopen die zo nodig gepeild moeten worden. We leven hier in het laagland ver beneden de zeespiegel. Het peilen zit ze in het bloed, de Batavieren. Of de CPNB ooit jou nog aan de beurt laat komen, zou ik niet weten. De CPNB is simpelweg niet te peilen, Tjalie.

***

Bronnen: Alfred Birney: Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998, herdruk 2009); Alfred Birney: Yournael van Cyberney (2001); Siem Boon: weblog Fotografie & Schrijverij http://siemboon.wordpress.com (met de volledige tekst van Tjalies Nogmaals Oeroeg en de volledige achtergrondgeschiedenis van Kousbroek & Haasse versus Tjalie Robinson zaliger); Hella S. Haasse: Oeroeg (1948); Tjalie Robinson: Nogmaals Oeroeg. Oriëntatie, Jakarta, juni 1948; herdrukt in de Pasarkrant, november 1993; Wim Willems: Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008); Augusta de Wit: Orpheus in de desa (1900) –

www.alfredbirney.nl www.alfredbirney.com

28 oktober 2009: Nieuwe Antilliaanse Literatuur

Vertoning van een nooit op televisie uitgezonden portret uit 1988 van de op 28 november 2007 overleden Curaçaose schrijver  Boeli van Leeuwen.
Op 10 oktober 2009 is op Curaçao voor het eerst de «Premio Boeli van Leeuwen»  uitgereikt. De prijs (een geldbedrag, een oorkonde en een bronzen beeldje van de vermaarde beeldhouwer Cornelis Zitman)  wordt om de twee jaar op Boeli van Leeuwen’s geboortedag toegekend.

Peter de Rijk spreekt met Giselle Ecury(Arubaanse in Schoorl), schrijfster van o.m. de roman Erfdeel, over haar nieuwste roman Glas in lood,  met Walter Palm (Curaçaoënaar in Den Haag) over zijn nieuwe dichtbundel  Sierlijke golven krullen van plezier, met Eric de Brabander speciaal over uit Curaçao voor de presentatie van zijn debuutroman Het hiernamaals van Doña Lisa en met Wijnand Stomp (bekend theatermaker uit Haarlem), die tevens een Anansiverhaal uit zijn nieuwe boek zal lezen.

Op de boekentafel zal ook De schoonheid van blauw / The beauty of blue worden gepresenteerd, het verzameld werk van de Antilliaanse dichteres Aletta Beaujon (1933-2001). Zij publiceerde bij leven slechts één bundel. Haarlemmer Klaas de Groot ontdekte evenwel in een archief in Den Haag een agenda van haar met 64 niet eerder gepubliceerde gedichten.

Tussen de gesprekken door wordt nieuwe Antilliaanse muziek gedraaid o.a. van de spiksplinternieuwe cd van Oswin Chin Behilia (in oktober in Nederland en België op tournee) en van de cd die deel uitmaakt van Snek Book Curaçao (waarvan dezer dagen een Nederlandstalige editie verschijnt) van Herman van Bergen. Van deze beeldend kunstenaar worden tijdens de avond aquarellen geprojecteerd op het digitale beeldscherm.

25 november 2009: Marokko

In het verlengde van de Haarlemse Marokko-week van 4 tot 14 november 2009, wordt  ook in deze aflevering van Mondiaal Literair de spotlight gericht op dit jaar verschenen boeken van Marokkaanse auteurs.

Mustafa Aarab komt vertellen over De vergeten geschiedenis van het Marokkaanse Rif. De meerderheid van de Marokkaanse Nederlanders is afkomstig uit het Rifgebied, een gebied dat bekend staat om zijn economische schaarste en ontwikkelingsachterstand. Waarom zijn ze massaal naar Europa geëmigreerd?  Mustafa Aarab geeft in zijn gesprek met Peter de Rijk achtergrond bij de feiten en de historische gebeurtenissen. Ook zijn uitgever Mohamed Bouzia zal aanwezig zijn.

Khadija Arib is politica en zit al meer dan 10 jaar in de Tweede Kamer voor de PvdA. Couscous op zondag is haar veelbewogen levensverhaal en dat van haar familie, maar vertelt tegelijk de verborgen geschiedenis van Marokkaanse vrouwen en hun gezinnen in Nederland.

Marokkanen in Nederland van Annemarie Cottaar, Nadia Bouras en Fatiha Laouikili laat het verhaal van de eerste generatie zien. Een van de verhalen is die van de Haarlemse familie Alouani. In dit boek komen ook uitgebreid de mannen aan het woord. Mede-auteur Nadia Bouras vertelt over de totstandkoming van dit boek.

Ahmed Benseddik is een van de bekende berberse Amazigh-dichters in Nederland. Hij publiceerde de bundel Strijdkreet van de aarde: Riffijnse gedichten. de Amazigh (Berberse) cultuur stamt uit het noorden van Marokko en heeft een mediterraan karakter, waarop ook verschillende Arabische kunststromingen hun invloed hebben gehad. Er bestaat een sterke traditie in het overbrengen van verhalen en liederen van vader op zoon en van moeder op dochter, ook wel Izran genoemd.

Tevens vertoont Mondiaal Literair de documentaire film Bedevaart naar Tanger van Nordin Lasfar. De Nederlands-Marokkaanse schrijvers/columnisten Asis Aynan en Hassan Bahara gaan naar Tanger op zoek naar hun literaire helden:  (de overleden)  Mohammed Choukri en de analfabete verhalenverteller Mohammed Mrabet. Mohammed Mrabet is deze maand gast op Crossing Border Festival 2009 . Ook Nordin Lasfar is aanwezig bij Mondiaal Literair.

In de Knipscheer Uitgeverij